Inti raymi
De stad Cusco is jaren het religieuze en spirituele centrum van het grote Inca rijk geweest. Dit rijk strekte zich uit tot aan de Westkust en de hoogvlakten van heel Zuid-Amerika. De stad werd gebouwd in de vorm van een poema, wat voor de Inca's het heilige symbool voor kracht en macht is. Toen de Spanjaarden in 1534 de stad veroverden stonden zij perplex van de pracht van de stad en beschreven deze als de stad van goud en licht. Op verschillende plaatsen staan nog Inca muren gemaakt van enorme granieten blokken die perfect in elkaar passen zonder hulp van cement. In 1650 verwoestte een aardbeving een groot deel van de stad. De Inca's beschouwden hun stad als "de navel der aarde". Zij dachten namenlijk dat Cusco het middelpunt van hun rijk was.
De Spanjaarden hadden weinig respect voor de Inca-cultuur en vele religieuze tempels werden daarom ook vernield om plaats te maken voor barokke kerken en rijk versierde huizen. De Inca bouwwerken dienden alleen nog als fundament. Deze mengeling aan bouwstijlen kun je goed zien in de gebouwen rondom de Plaza de Armas.
Op 24 juni wordt de terugkeer van de zon gevierd. Een indrukwekkend en zeer kleurrijk spektakel dat begint met een parade vanaf de Plaza de Armas. We hebben een hostel met balkon in de straat waar de parade door komt en kunnen zo op de eerste ranghet geheel bewonderen. Het is maar goed dat we dit hostel een paar maanden geleden geboekt hebben want de stad is propvol.
Na de parade lopen we in de enorme mensenmassa mee naar de berg waar rituele dansen en het offeren van een lama te zien zijn. Veel buitenlanders hebben een zitplaats op de tribune gekocht, maar wij vieren het feest tesamen met de locals. We zijn een van de mieren die op de berg rondkrioelen.
Route del Sol
Van Puno nemen we een speciale bus naar Cusco die op verschillende plaatsen stopt. We passeren mais en quinoa velden en grote stukken braakliggend land. Na de drukke stad Juliaca waar een grote zwarte markt is in goedkope producten die vrouwen uit Bolivia halen, rijden we door een gebied waar eens de Pukura cultuur heerste, op weg naar de ruim 4300 meter hoge pas La Raya.
Rond dit gebied heeft de universiteit van Cusco een fokprogramma opgezet van lama's en alcapa's ten behoeve van een constante kwaliteit van wol. We zien er velen.
Ook zien we op deze hoogvlakten adobe-huisjes gemaakt van gedroogde klei, riet en uitwerpselen. Dit houdt de warmte beter vast dan beton.
We bezoeken nog een Wari-ruine in Raqchi waar de vrouwen uit het dorpje een soort pannenkoek hoofddeksel dragen en een Inca ruine in Pihillacta.
Om vijf uur zijn we in Cusco waar morgen een groot festival is. Het is dan de korste dag van het jaar en volgens de oude tradities wordt dan de zon teruggeroepen. Een mooie reis hebben we gehad op 'De weg naar de zon' en dat terwijl we altijd een georganiseerde reis met een bus waar de hele meute uitstapt om een bezienswaardigheid te bezoekenverafschuwden. Maar je ziet, zo erg is het niet en je komt op plaatsen waar je anders waarschijnlijk voorbij gereden zou zijn.
Schuitje varen
Met de bus rijden we weer terug naar Peru. We lunchen in Copacabana, kopen armbandjes en steken met een bootje het Titicaca meer over. Een vader met zijn twee zoons zijn medepassagiers. Het jongst jongetje lijkt het maar niets te vinden. Uiteindelijk belandt hij naast mij op de bank en zodra we van wal steken grijpt hij mijn knie en houdt deze stevigvasttotdat we de overkant hebben bereikt ondertussen naar ons glurend ofik het wel goed vind. Zijn oudere broer kijkt hem meewarig aan zo van "ben jij nu een vent", maar een gringo-dame is in ieder geval een stuk minder eng dan deze overtocht.
De bus vaart op een platte schuit naar de overkant, een vreemd gezicht al die bussen die overgevaren worden. Om half twee pakken we de bus naar Puno. De Bolivianen worden weer omgewisseld voor Soles en de tijd gaat weer een uur terug.
We hebben al heel wat vervoersmiddelen gehad op onze reis. Naast het schuitje varen in verschillende botenzoals op de Galapagos, bij Paracas maar ook in de kano'sop Rio Napo hebben we gefietst, achterin een laadbak gezeten, in driewieltaxi's en allerlei andere taxi's, in jeeps,de trein,in de vele bussen, met of zonder luxe uitklapbed en niet te vergeten op een muilezel.
Op grote hoogte
We wilden graag the deadroad meemaken (je weet wel, die weg naar La Paz waar zoveel voertuigen in het ravijn eindigden), maar toen we hoorden dat dit alleen in een grote groep kon op de fiets en we de groep zagen met bijna allemaal jonge macho boys in strakke Tour de France kleren met motorhelmen op, besloten we om van dit idee af te stappen. Het alternatief was om in een volgauto er achteraan te rijden want wandelen bleek geen optie, maar zo oud zijn we nu ook weer niet, dus we ruilen deze tocht in voor een andere.
's Morgens bezoeken we de maanvallei, een landschap van bizarre rotsformaties, geërodeerde pieken en kronkelige paadjes. Door de wind en regen verandert deze vallei voortdurend. Een fluitist staat boven op een van de pieken en zijn muziek past wonderwel bij het landschap.
In de middag rijden we met twee busjes tot 4800 meter de Chacaltaya op. Deze weg is een goed alternatief voor de route muerte omdat het heel smal is en de afgronden duizeling wekkend. Ik doe maar net of ik mijn foto's zit te bekijken zodat ik het niet hoef te zien. Op deze berg is de hoogst gelegen ski-piste van de wereld, maar geskied wordt er niet. De gletsjer is verijst en de skilift wordt al jaren niet meer onderhouden. De tocht is geweldig. Ik heb geen last meer van hoogteziekte en op 5300 meter kijk ik uit over de Altiplano, het Titicaca meer en de Cordillera Real (koninklijke bergketen) met enorme pieken van boven de 6000 meter. De besneeuwde toppen van de Huayna Potosi met haar 6088 meter kan je haast aanraken. Van de 26 mensen halen slechts een handvol dit eindpunt en ik voel me op de top van de wereld staan. Wat een ervaring.
Souvenirs
In la Paz hebben we een hostel in het centrum van de oude stad. Het stikt hier van de kleine winkeltjes met allerlei producten van lama's, alpaca's en baby alpaca's. We hadden al een extra tas in Sucre gekocht voor alle souvenirs, maar van al het moois hier word je helemaal hebberig. Het is dat we maar 1 extra stuk bagage mee terug kunnen nemen en we nog verder reizen, anders kwam ik hier niet meer weg. La Paz is de officieuze hoofdstad van Bolivia omdat de regering en alle ministeries hier gehuisvest zijn. Elke morgen is er markt die zo druk is dat je er nauwelijks doorheen komt.
La Paz is enorm en bestaat uit drie gedeelten, een deel gebouwd op de hoogvlakte, een deel gebouwd op de berghelling en een gedeelte gebouwd in de vallei. Van afstand lijkt het net of er een pan overkookt.Op de zogenaamde "heksenmarkt" worden cholas (lamafoetussen) en andere offerandes verkocht om Pachamama oftewel moeder aarde, mild te stemmen. Er is zelfs een coca museum, maar daar nemen we geen tijd voor op onze souvenir-jacht.
De enge man
Vanui Potosi trekken we met de bus verder naar Sucre, de officiele hoofdstad van Bolivia. Het is een mooie koloniale stad met witte gebouwen en kerken, die op de werelderfgoedlijst van de Unesco staat. In 1825 werd in Sucre in het Casa de la Libertad (huis van de vrijheid) de onafhankelijkheid uitgeroepen door de belangrijkste vrijheidsstrijders van Zuid-Amerika, Simon Bolivar en Antonio Jose Sucre. Het klimaat is heerlijk en er zijn leuke bruine cafe's waar je voor een habbekrats kan eten. Net zoals in Potosi waar we met z'n drieeën in een vegetarisch restaurant voor 15 euro, een voorgerecht, een uitgebreid hoofdgerecht en twee flessen wijn soldaat hebben gemaakt. We logeren in Veracruz, een hostel dat door het reisbureau in Arequipa geboekt is. Een vreemde man met een enorme drankneus is de eigenaar. De ontvangst is niet erg vriendelijk, de entree is sjofel en een schurftige papagaai zit ons met valse kraaloogjes te begluren terwijl hij met zijn eten zit te knoeien. De man gaat ons voor naar onze kamer waar in geen eeuwen is gewit want de muur aan het hoofdeinde is pikzwart, de vloer is meer vlek dan groen en het tl licht in de badkamer laat het steeds afweten zodat we in het donker moeten douchen. We krijgen geen ontbijt en als ik op de laatste dag toch het licht in de wc wil aandoen valt al het licht uit, zelfs de lantaarns in de straat. Met onze hoofdlampjes op zoeken we in het donker al onze spullen bij elkaar om op tijd beneden te zijn. Om half zeven worden we opgehaald voor een wandeltocht, maar als we beneden aankomen is de deur gesloten met een hangslot. Coosje roept zich suf "señor, señor!" en rammelt aan alle deuren zonder resultaat. Ik ga op zoek naar een andere uitgang. Het hotel blijkt zeker 30 kamers te hebben, maar wij zijn de enige gasten. De sleutels van alle andere kamers hangen keurig op hun haakjes. We voelen ons net als goudlokje in het gelijknamige sprookje, vastgehouden door een boze tovenaar. Door het getraliede raampje van de voordeur vragen we de chauffeur die ons komt halen om hulp, maar helaas begrijpt hij niets van ons half hysterische geklets. Met je vingers doorvoordeur tralies lijkt het zelfs op het sprookje van Hans en Grietje waar de heks hen vasthoudt om vet te mesten, maar dan zonder ontbijt

Ps. Dit verhaal heb ik nu vier keer opgeschreven en steeds begaf het internet het. Ik geloof nu echt dat die enge man verborgen krachten heeft ;)
Het leven van een mijnwerker
Potosi is de hoogste stad ter wereld en ligt op 4070 meter. Deze stad is beroemd om haar zilvermijnen. De Spanjaarden ontdekten in 1545 een enorme hoeveelheid zilver in deze berg waarmee de driehonderd jaar lange exploitatie van de Indiginas en negerslaven begon. De barbaarse omstandigheden waaronder zij werkten kostte het leven van zes miljoen mijnwerkers. De Spanjaarden dwongen de indianen in deze mijnen te werken. Vele overleefden dit niet als zij 8 maanden onder de grond moesten leven. Ze kregen longziekten, een ongeluk of werden gek van de duisternis. De Spanjaarden waren bang voor deze mijnziekten en gingen daarom nooit ondergronds. Het gevolg daarvan was dat de indianen geen sturing kregen waardoor de opbrengst uit de mijnen stagneerde. De Spanjaarden vertelden daarom aan de indianen die in meerdere goden geloofden, dat er een duivel was, die er voortdurend op toezag dat ze werkten en zo niet dan zou hen allerlei akeligs overkomen. Deze bedreiging werkte een poosje maar toen het Christelijke geloof verkondigd werdbegrepen de indianen dat de duivel bij dit geloof hoorde en dat het geen god van hen was waardoor hun angst verdween. Zij doopte deze duivel om naar Tio (oom) en tot op de dag van vandaag staan er overal in de mijn poppen van Tio die zorgdraagt voor een hoge opbrengst. Elke vrijdag wordt hij geëerd met coca, sigaretten en alcohol om hem gunstig te stemmen, zo vertelt de gids. De Cerro Rico, oftewel de rijke berg, levert zilver, tin, lood en zink. Op dit moment werken er nog 15.000 mensen in deze mijn in de vele mijn coöperaties.
Hiervan zijn er ruim 3000 "the boss", de overige zij helpers. De bazen krijgen van de overheid een stuk berg toegewezen. Er wordt betaald naar opbrengst en naar de laag in de berg waar gewerkt wordt. Hoe dieper je werkt, hoe hoger het loon. De drilboor weegt 80 kg en wordt met twee mensen bediend. Dit werkt is slechts drie uur per dag vol te houden omdat er zoveel stof vrij komt en de boor zo zwaar is.Regels voor arbeidsomstandigheden kennen zij niet hier niet en vele mijnwerkers halen hun vijftigste jaar niet. Omdat er geen metingen worden gedaan en iederzijn eigen stuk berg leeg haalt is de kans groot dat vroeg of laat de boel instort. Zilver wordt nog slechts sporadisch gevonden. Het laatst enkele jaren geleden door een man die al 32 jaar in de mijn werkte. Hij is nu de rijkste man van Potosi.
Voordat we de mijn ingaan, gaan we eerst naar de mijnwerkersmarkt. Hier wordt van alles verkocht waar mijnwerkers behoefte aan hebben. Het is de bedoeling dat wij hen wat geven, dus krijgen we eerst een uitgebreide uitleg. Het begint natuurlijk met de cocabladeren en een soort van kauwsteen in verschillende smaken die de speekselvloed stimuleert. Het kauwen op deze bladeren maakt dat het honger-, dorst-, en vermoeidheidsgevoel afneemt. Er wordt verder veel gerookt, de fabriekssigaretten zijn minder sterk, daarom zijn er extra zware te koop in zakjes van tien die zeer gewaardeerd zullen worden. Alcohol wordt ook flink gedronken. Niet zomaar een fles, maar eentje van 96% (dezelfde als de gidsen bij zich hebben om toeristen onder de neus te houden die last hebben van hoogteziekte) die aangelengd met water prima te drinken schijnt te zijn.
En als we echt wat extra's willen geven dan kunnen we kiezen voor explosieven. Een zakje nitro, een staaf kneed gum, TNT en een lont. Alles in een zakje alsof je een pak waspoeder koopt. Afijn, we houden het maar bij de genotsmiddelen en een fles limonade zodat we niet met dynamiet op zak de berg in hoeven. We krijgen laarzen, een pak, een helm en een hoofdlamp en gaan in ganzenpas de tunnel in.
Op zaterdag werken er minder mensen, maar ook omdat er gisteren een festival was. We komen een baas tegen die volslagen beschonken op de grond zit. Een van zijn helpers, een jongen van 16 vertelt zijn verhaal. Toen hij 14 was, is hij de mijn ingegaan. Zijn vader is er omgekomen en nu komt de zorg voor het inkomen van zijn familie bij hem te liggen. Het verdient goed. ' s Avonds gaat hij naar school en hij hoopt later leraar te worden. Hij laat ons zien waar hij werkt en vertelt trots dat hij nu ook leert om met de boor om te gaan. Een grote zak vol nitro laat hij ons zien met de spullen die nodig zijn om de rots op te blazen. Zijn wang puilt uit van de cocabladeren zoals bij alle mijnwerkers. Helaas verdient hij vandaag niets, ook al was hij er al om zeven uur, want tja, de baas kan niet werken.
Als ik hem zou vertellen over onze CAO en ARBO regels, dan zou hij waarschijnlijk denken dat ik, net zoals zijn baas, te diep in het glaasje heb gekeken.
We klauteren terug naar de hoofdgang, ik ruik weer wat frisse lucht en na een poosje zien we weer licht. Ik heb het er benauwd van gekregen. Het stof, de nauwe doorgangen, de inktzwarte duisternis als je lamp uitvalt, de gaten in de vloer waar je zomaar in kan vallen en het meest nog het verhaal van deze jonge mijnwerker.
Even poetsen?
Vandaag heb ik heel decadent mijn schoenen laten poetsen, die na alle wandelingen wel aan een opknapbeurt toe waren. Overal in de stad klampen schoenenpoetsers je aan en voor vijf Bolivianos, ongeveer 0,50 euro, kan ik het natuurlijk niet laten. Ik voel me de koningin te rijk op de poets-troon met een krantje. De man, die stokoud lijkt voor dit werk, haalt voor ik het in de gaten heb, mijn veters er uit zodat hij overal goed bij kan. Helaas heeft hij niet gezien dat er geen goed uiteinde aan zit. Na vijf minuten blinken de schoenen maar dan moeten ook de veters er nog in. Dit lukt natuurlijk bijna niet en ook al geef ik steeds weer aan dat het goed is zo en dat ik nieuwe veters ga kopen, hij weet van geen ophouden en prutst net zolang met een luciferstokje tot de veters, steeds een stukje korter, er weer inzitten. Het is ondertussen stikdonker en ik voel me steeds ongemakkelijker. Lichtelijk verkleumd en drie kwartier later is de klus geklaard. Mijn schoenen hebben nog nooit zo geglanst. Ik geef de man 20 Bolivianos waar hij me uitgebreid voor bedankt en neem mij voor om nu toch echt nieuwe veters te gaan kopen.
Als we in ons hostal terug zijn is het weer tijd om even bij te kletsen met het thuisfront. Maarten wil eerst niets zeggen maar na enig aandringen hoor ik dat Leanne in het ziekenhuis ligt met een verbrijzelde enkel, net toen ze op weg ging naar huis. En dan wil ik eigenlijk het liefst direct terug. Gelukkig is er skype en ik zie en hoor haar, of althans het bed in het ziekenhuis en het 'kotsbakje' want ze voelt zich hondsberoerd en moet voortdurende overgeven van de morfine.