Het leven van een mijnwerker
Potosi is de hoogste stad ter wereld en ligt op 4070 meter. Deze stad is beroemd om haar zilvermijnen. De Spanjaarden ontdekten in 1545 een enorme hoeveelheid zilver in deze berg waarmee de driehonderd jaar lange exploitatie van de Indiginas en negerslaven begon. De barbaarse omstandigheden waaronder zij werkten kostte het leven van zes miljoen mijnwerkers. De Spanjaarden dwongen de indianen in deze mijnen te werken. Vele overleefden dit niet als zij 8 maanden onder de grond moesten leven. Ze kregen longziekten, een ongeluk of werden gek van de duisternis. De Spanjaarden waren bang voor deze mijnziekten en gingen daarom nooit ondergronds. Het gevolg daarvan was dat de indianen geen sturing kregen waardoor de opbrengst uit de mijnen stagneerde. De Spanjaarden vertelden daarom aan de indianen die in meerdere goden geloofden, dat er een duivel was, die er voortdurend op toezag dat ze werkten en zo niet dan zou hen allerlei akeligs overkomen. Deze bedreiging werkte een poosje maar toen het Christelijke geloof verkondigd werdbegrepen de indianen dat de duivel bij dit geloof hoorde en dat het geen god van hen was waardoor hun angst verdween. Zij doopte deze duivel om naar Tio (oom) en tot op de dag van vandaag staan er overal in de mijn poppen van Tio die zorgdraagt voor een hoge opbrengst. Elke vrijdag wordt hij geëerd met coca, sigaretten en alcohol om hem gunstig te stemmen, zo vertelt de gids. De Cerro Rico, oftewel de rijke berg, levert zilver, tin, lood en zink. Op dit moment werken er nog 15.000 mensen in deze mijn in de vele mijn coöperaties.
Hiervan zijn er ruim 3000 "the boss", de overige zij helpers. De bazen krijgen van de overheid een stuk berg toegewezen. Er wordt betaald naar opbrengst en naar de laag in de berg waar gewerkt wordt. Hoe dieper je werkt, hoe hoger het loon. De drilboor weegt 80 kg en wordt met twee mensen bediend. Dit werkt is slechts drie uur per dag vol te houden omdat er zoveel stof vrij komt en de boor zo zwaar is.Regels voor arbeidsomstandigheden kennen zij niet hier niet en vele mijnwerkers halen hun vijftigste jaar niet. Omdat er geen metingen worden gedaan en iederzijn eigen stuk berg leeg haalt is de kans groot dat vroeg of laat de boel instort. Zilver wordt nog slechts sporadisch gevonden. Het laatst enkele jaren geleden door een man die al 32 jaar in de mijn werkte. Hij is nu de rijkste man van Potosi.
Voordat we de mijn ingaan, gaan we eerst naar de mijnwerkersmarkt. Hier wordt van alles verkocht waar mijnwerkers behoefte aan hebben. Het is de bedoeling dat wij hen wat geven, dus krijgen we eerst een uitgebreide uitleg. Het begint natuurlijk met de cocabladeren en een soort van kauwsteen in verschillende smaken die de speekselvloed stimuleert. Het kauwen op deze bladeren maakt dat het honger-, dorst-, en vermoeidheidsgevoel afneemt. Er wordt verder veel gerookt, de fabriekssigaretten zijn minder sterk, daarom zijn er extra zware te koop in zakjes van tien die zeer gewaardeerd zullen worden. Alcohol wordt ook flink gedronken. Niet zomaar een fles, maar eentje van 96% (dezelfde als de gidsen bij zich hebben om toeristen onder de neus te houden die last hebben van hoogteziekte) die aangelengd met water prima te drinken schijnt te zijn.
En als we echt wat extra's willen geven dan kunnen we kiezen voor explosieven. Een zakje nitro, een staaf kneed gum, TNT en een lont. Alles in een zakje alsof je een pak waspoeder koopt. Afijn, we houden het maar bij de genotsmiddelen en een fles limonade zodat we niet met dynamiet op zak de berg in hoeven. We krijgen laarzen, een pak, een helm en een hoofdlamp en gaan in ganzenpas de tunnel in.
Op zaterdag werken er minder mensen, maar ook omdat er gisteren een festival was. We komen een baas tegen die volslagen beschonken op de grond zit. Een van zijn helpers, een jongen van 16 vertelt zijn verhaal. Toen hij 14 was, is hij de mijn ingegaan. Zijn vader is er omgekomen en nu komt de zorg voor het inkomen van zijn familie bij hem te liggen. Het verdient goed. ' s Avonds gaat hij naar school en hij hoopt later leraar te worden. Hij laat ons zien waar hij werkt en vertelt trots dat hij nu ook leert om met de boor om te gaan. Een grote zak vol nitro laat hij ons zien met de spullen die nodig zijn om de rots op te blazen. Zijn wang puilt uit van de cocabladeren zoals bij alle mijnwerkers. Helaas verdient hij vandaag niets, ook al was hij er al om zeven uur, want tja, de baas kan niet werken.
Als ik hem zou vertellen over onze CAO en ARBO regels, dan zou hij waarschijnlijk denken dat ik, net zoals zijn baas, te diep in het glaasje heb gekeken.
We klauteren terug naar de hoofdgang, ik ruik weer wat frisse lucht en na een poosje zien we weer licht. Ik heb het er benauwd van gekregen. Het stof, de nauwe doorgangen, de inktzwarte duisternis als je lamp uitvalt, de gaten in de vloer waar je zomaar in kan vallen en het meest nog het verhaal van deze jonge mijnwerker.
Reacties
Reageer
Laat een reactie achter!
- {{ error }}