marietteouwehand.reismee.nl

Paracas

Van Ecuador tot Noord Chili strekt zicht langs de kust een eindeloze woestijn uit in een onvoorstelbare hoeveelheid kleuren bruin. We bivakkeren in Paracas waar we een boottocht maken naar Islas Ballestas. We varen langs de kust, langs oude visconservenfabrieken en zien de geoglief Candelabro. Een indrukwekkende tekening van een driearmige kandelaar in een zandduin langs de baai. Deze tekening is 128 meter hoog en 78 meter breed. Waarschijnlijk is het zo goed bewaard gebleven dankzij het constante klimaat. Er is in dit gebied nauwelijks neerslag maar wel veel mist, in ieder geval in de morgen maar soms is het de hele dag heiïg zodat je niet ver kan kijken. We varen langs verschillende eilandjes voor de kust en de gids vertelt over de vele vogelsoorten op de eilanden en over de guano (vogelmest) die lange tijd een belangrijk exportproduct was. Je ziet hier en daar nog mensen bovenop de rotsen om de mest eraf te krabben. Veel van deze mest gaat naar Spanje en levert daar behoorlijk wat op. We zien miljoenen vogels op de rotsen en kijken onze ogen uit. De schipper is ervaren want de zee is ruw en hij krijgt het toch voor elkaar om vlak langs de rotsen te varen zonder dat we er op klappen. We zien Humboltpinguins rondwaggelen, gieren, scholeksters, grijze meeuwen en natuurlijk zeeleeuwen. Deze eilandjes worden de Galapagos van Peru genoemd en de rotsformaties zijn inderdaad prachtig evenals de grotten.

We genieten van de zon en de warmte en besluiten nog een paar dagen te blijven. De volgende dag gaan we het natuurreservaat in. Dit is het enige martieme reservaat van Peru en het bestaat uit een schiereiland en een groot stuk kust. Er is hier een begraafplaats van de Cabezas Largas (Lange hoofden) waar 5000 jaar oude botten liggen van een volk dat de schedels van kinderen kunstmatig vervormden tot langwerpige hoofden. We zien ze in een piepklein museum, waar een oude man ons over de schedels verteld. Hij doet er lang over en als we het gastenboek tekenen zien we dat we dit jaar de eerste bezoekers zijn. Het museum is 6 dagen per week open van 10.00 - 17.00 uur. Dat lijkt met het ergst, 6 dagen per week op je werk te moeten zijn terwijl er niets te doen is.

In het hostel waar we overnachten zien we het ook, alhoewel in mindere mate. Daar werken zeker 12 mensen en allemaal werken ze zeker 12 uur per dag of meer, maar de helft van de tijd lijken ze rond te hangen. Af en toe wordt er wat geverfd, 3x per dag wordt het zand aangeharkt en sommige maken een praatje met de gasten of kijken met z´n tweeën hoe de 3e een bord in de grond zet. Het is even wat drukker als er een bus aankomt of vertrekt maar verder........

We hebben nu al 4 keer een bus bij deze maatschappij geboekt maar onze gegevens zijn nog steeds niet uit het systeem te halen, ook al boek je het op hetzelfde adres. Maar ach, zo heb je als werknemer wel wat te doen.

De laatste dag luieren we wat in onze hangmat. Het sandboarden slaan we over evenals een rondvlucht om de Nasca lijnen te bekijken. Dit zijn enorme figuren in de woestijnvan planten, dieren en figuren bestaan al sinds de 8e eeuw. De afmetingen van de tekeningen variëren van 15 tot 300 meter dus je kan ze alleen uit de lucht goed zien maar dat lijkt ons een slecht idee wat er schijnt onlangs zo´n vliegtuigje neergestort te zijn. Buiten dat, de figuren zijn ook op de paden van het hostel te vinden dus zo kunnen we ze ook bewonderen.

Een miljoenen stad

Na een busrit van bijna 29 uur (met twee uur oponthoud bij de grens want de computers doen het niet) komen we aan in Lima. Weer als het donker is en weer zonder dat we een hostel hebben gereserveerd want de internet café´s in Cuenca waren gesloten. Deze stad wordt zelfs door de inwoners als gevaarlijk omschreven na het vallen van de duisternis. Nou dan voel je je niet echt fijn. Maar goed, we wisselen onze dollars om in Soles en we nemen de waarschuwingen van medereizigers ter harte en gaan niet mee met mannen die goedkoop een taxirit aanbieden. Alleen de taxi´s 'with a sign are safe'. Het eerste hostel dat we hadden gevonden op tripadvisor, gelegen in de veilige 'gringo' wijk is vol. Gelukkig reizen we met een Israelisch meisje die nog een ander veilig hostel weet. Zo belanden we in "The Blue House", een hostel voor backpackers. Een wereld van verschil met ons vorige onderdak. Erg vuil, maar de gastheer is reuze aardig en omdat we de kamer met z´n drieeën delen en we twee nachten blijven, betalen we slechts 20 soles (ongeveer 8 dollar) inclusief ontbijt metheerlijke verse broodjes. Eindelijk kunnen we ons eigen meegenomen kussensloop gebruiken (want degene die om het kussen zit ruikt wel heel bijzonder) en onze slaapzak want het is veel te koud met alleen een miezerig dekentje.

De volgende dag worden we om 12 uur opgehaald voor een fietstocht door de stad. Lima heeft 10 miljoen inwoners en 34 districten met allemaal hun eigen burgemeester. De opperburgemeester is een vrouw, wat onsverbaastin dit land. Onze gids weet de hele historie van de stad en laat ons van alles zien. Van enorme Koloniale panden, via kerken, prachtige parken (waaronder een park voor dakloze katten) en de boulvards, naar de krottenwijken tegen de bergen aan. Overal heeft hij een verhaal bij. Zo is er een muur in de stad waar elke provincie van Peru op is uitgebeeld. Speciaal gemaakt voor een bezoek van de Paus. Helaas had hij maar 5 minuten tijd om er langs te rijden voor een kunstwerk dat een jaar werk heeft gekost. Gelukkig kunnen wij er nu van genieten. Om 3 uur gaan we een zeer duur uitziend hotel in. Onze fietsen parkeren we in de lobby en we gaan direct naar de bar waar we volgens de gids de specialiteit van Peru, een Pisco Sour, moeten drinken. Het smaakt heerlijk maar er blijkt een enorme hoeveelheid alcohol in te zitten dat er goed inhakt als je al om 7 uur ontbeten hebt. Lichtelijk aangeschoten rijden we vervolgens al giegelend door het stadsverkeer. Volgens de gids is het erg rustig omdat het zondag is, maar volgens onze maatstaven is het een verschrikkelijke drukte. We laveren op een vijfbaanssnelweg tussen alle gedeukte auto's door die langs ons heenrazen, het getoeter is niet van de lucht. Na een stevige lunch/avondmaal voelen we ons weer een stuk beter en vervolgen de tocht zonder een enkel ongeluk.

Op doorreis

Rond half zeven zijn we in Cuenca. Het is al donker en het blijkt dat op de 24ste het bevrijdingsfeest van de Spanjaarden wordt gevierd dus iedereen trekt naar de stad. Helaas hebben we niets gereserveerd en blijken alle hostels vol te zitten. Uiteindelijk vinden we nog een hotel waar we 75 dollar voor een nacht moeten betalen. Tot nu toe betaalden we maximaal 15 dollar inclusief ontbijt dus het is een rib uit ons lijf maar goed, beter dan op een bankje in het park. Na een nacht slecht slapen (bang om de bus naar Guayaquil te missen want die gaat slechts 2x per week) en met nauwelijks een ontbijt, want dat werd pas geserveerd na 7 uur, komen we gelukkig op tijd in Guayaquil aan.

Weer wat geleerd, altijd tevoren een hostel reserveren in een grote stad, dat scheelt een hoop stress en een hoop taxigeld.

Gewijzigde plannen

Van Baños zouden we gelijk doorreizen naar Cuenca maar om 7 uur ontmoeten we bij het busstation zwei Bayrische Herrn. Eén daarvan reisde 15 jaar geleden rond in Zuid-Amerika en laat nu zijn vriend het land zien. We raken aan de praat en zij vertellen dat het erg jammer zou zijn als we El nariz del Diablo zouden missen. Alweer een duivel dus dat zou vast spectaculair worden. Deze kans konden we natuurlijk niet laten lopen. Via Rio Bamba (2750 meter) reizen we daarom naar Alausi. Onderweg zien we de besneeuwde toppen van de Chimborazo (Sultan van de Andes), de hoogste berg van Ecuador met 6310 meter. In Alausi nemen we de trein die zich heel langzaam, afwisselend voor en achteruit zigzaggend een weg baant door het rotsachtige, met cactussen begroeide landschap. Omdat het spoor even voorbij Sibambe door de gevolgen van een landverschuiving ernstig is beschadigd, gaat de trein vanuit de Duivelsneus weer dezelfde route omhoog naar Alausi. We overnachten in een hostel waar San Pedro vanuit zijn standplaats, recht onze kamer inkijkt. Elk dorp en elke stad lijkt een beschermheilige te hebben die uit een verheven positie het geheel overziet. Het is een naargeestig dorpje waar alles vroeg dicht is en er nergens een leuk restaurantje te vinden is. Het is koud, ongeveer 5 graden dus we eten crackers in ons bed en kijken naar een Spaanse soap.

De volgende dag gaan we naar de Indiaanse markt in Guamote. We delen de taxi die door de Beierse mannen flink is afgedongen en zien onderweg trucks volgeladen met dieren en hele families die naar de markt trekken. Zelfs op de bussen worden schapen vervoerd. Met een gangetje van 80 km per uur staan ze met hun neus in de lucht bovenop de bus. Op de markt aangekomen kost het moeite om ze er weer af te krijgen. Zo´n beetje half gewurgd worden ze aan een touw naar beneden gelaten. We ontsnappen ternauwernood aan een dikke aanrijding door een volgeladen vrachtwagen die ineens linksaf slaat.Dat scheelde maar een haartje! De markt is verschrikkelijk druk en we komen maar een handvol andere toeristen tegen. De bevolking lijkt hier vele malen armer dan in het Noorden. Hun gebitten zijn heel slecht en hun kleren zijn vuil. Je ziet piepjonge moeders met een kind op de rug, een kind aan de borst en een kind aan de hand. Alleen mensen met een gebit vol met goud zien er goed uit. We onmoeten een Nederlandse vrouw die hier 3 maanden vrijwilligerswerk doet. Zij leert de vrouwen andere dingen te maken van de prachtige Alcalpawol, zoals tablettassen, toilettassen met een spiegeltje en een grotere maat sloffen (de mensen hebben hier alleen minivoeten dus geen toerist die er in past). Verder leert ze hen hoe je met een mooi verkooppraatje de toeristen kan verleiden wat te kopen want er is wat dat betreft geen enkele creativiteit hier. Alle tassen sloffen, sjaals, kettingen etc. zijn hetzelfde. Niet alleen de producten maar ook de uitstalling is hetzelfde net als de prijs. Ik vraag me dan ook af hoeveel jaar de zelfgebreide mutsen met dierengezichten hier liggen want bij alle kraampjes liggen hier stapels en stapels van en niemand lijkt ze te kopen.

Na 2 uur hebben we het gezien op de markt en nemen de bus naar Cuenca. We zien onderweg niet heel veel want we rijden in of boven de wolken. Soms lijkt het net een uitzicht vanuit het vliegtuig, alleen wolken met hier en daar een bergtop er bovenuit.

BaΓ±os

20 en 21 mei


Vulkaan Tugurahua ligt op 5016 meter en is een actieve vulkaan die regelmatig van zich laat horen. Met de taxi zijn we een heel stuk omhooggereden. Het was nog 1 ½ uur lopen naar de top maar aangezien we halverwege al in de wolken liepen en we slechts 4 uur de tijd hadden om voor donker terug te lopen gingen we direct terug. Op ons gemakje zijn we wandelden we naar beneden met mooie uitzichten op een pad dwars door tomates de arbolgaarden (dit zijn bomen die vruchten dragen die op tomaten lijken) maisvelden, kool en allerlei andere onbekende gewassen. Beneden liepen we verkeerd en kwamen daardoor uit op de autoweg. Gelukkig bij een bushalte waar net een bus naar Baños vertrok dus dat was mazzel omdat het teruglopen meer tijd nam dan we dachten. We hebben toch weer wat last van de hoogte, net als gisteren toen we 654 treden naar boven zijn gelopen om het beeld van Maria en het uitzicht op Baños te bewonderen. Bijzonder is dat 1/5 van de stad bestaat uit een begraafplaats of beter gezegd een begraafstadje in de stad. Hier loopt zelfs een hoofdstraat en er zijn verschillende kistenflats met vele verdiepingen. Ik denk dat alle families van de stad hier begraven liggen want het is hier niet groot en het dorp lijkt niet oud. De oudste kerk is van 1926. Misschien dat men dacht dat de lava van de vulkaan in het dal zou komen bij een uitbarsting maar dat was niet het geval. De grootste uitbarsting sinds jaren was in 2009 en de lavastromen van toen kan je nog goed zien. s\'Avonds hebben we getoost op de verjaardag van Coosje met wel 2 glazen wijn waar we prompt van in een deuk lagen. Misschien omdat het weken geleden was dat we wijn gedronken hadden omdat het hier niet te betalen is, of omdat er meer alcohol inzat dan we gewend waren, in ieder geval hadden we een hoop plezier. De volgende dag zijn we gaan mountainbiken langs de cascaden. Een tocht down hill van ruim 2 uur. Casada del Diablo was indrukwekkend en erg nat. Door een rotsgang, waar je op je knieen door moest kon je achter de waterval komen. Wat een oorverdovend lawaai maakt zo´n waterval. Via een hangbrug konden we naar de tegenoverliggende berg zodat we de waterval in volle glorie konden zien. Ondertussen was het begonnen te plenzen. Mijn regenjas, die al jaren oud is heeft het nu echt begeven want ik was tot mijn onderbroek nat en steenkoud. Bij het beginpunt van de wandeling waar we de fiets hadden geparkeerd, werden we opgepikt door een truck waar we met fiets en al in konden. De kunst was wel om op de laadbak te klimmen en er later weer uit te springen. Aangezien de chauffeur dit keer niet zo galant was en ik als eerste sprong en achter de klep bleef haken heb ik nu een blauwe hand maar het was de tocht waard.


Als we de volgende dag verder trekken is het stralend weer en zien we de Tungurahua eindelijk liggen met sneeuw op de top en een kleine rookpluim

Reizen

Vanuit Coca vertrekken we om 16.30 met de bus naar Baños waar we om half twaalf ´s avonds aankomen. Gelukkig is het hostal gereserveerd anders hadden we de nacht op een bankje moeten doorbrengen. Het is voor het eerst dat we niet worden afgehaald en moeten vanaf nu alles zelf ter plaatse regelen. Dat is even wennen.

Het reizen met de bus heeft behalve wat nadelen (erg krap, erg hobbelig en erg langzaam) alleen maar voordelen. Het is super goedkoop (een reis van 8 uur kost 8 dollar), je ziet de omgeving, leert Spaans door al het gebabbel om je heen en ervaart hoe anders het reizen hier is dan thuis. Bij elke stop komen mensen je wat verkopen. Kip op een stokje, ijs, water of andere lekkernijen. Soms roept de bijrijder iets volslagen onverstaanbaars en vervolgens stroomt de bus leeg. Wij nog denken dat we op het eindpunt zijn aangekomen (overigens in the middle of nowhere) maar nee hoor, iedereen gaat dan gewoon eten in een soort restaurant midden op een berg met een rij toiletten buiten met een douchegordijn ervoor.

Ik zou hier niet zo gauw alleen willen reizen. Niet alleen omdat je dan je ervaringen niet kan delen, maar ook omdat je je best ontheemd voelt. In de bus zitten alleen donkere mensen die je aanstaren alsof je van een andere planeet komt, de taal spreek en versta je slechts in grote lijnen (overigens spreken sommige mensen in een totaal onverstaanbaar dialect) en als je dan in het donker bepakt en bezakt in een wildvreemd plaatsje aankomt, geen idee hebt waar het hostal is en alleen een groep mannen op je af ziet komen, dan voel je je niet echt senang. Maar als de mannen je vriendelijk buenos noches wensen, je kan vragen waar de taxistandplaats is en de taxi je veilig aflevert bij je slaapplaats, dan denk je ´s avonds in je bed “zo, dat hebben we maar weer mooi gedaan”.

We blijven drie dagen in Baños en trekken dan via Cuenca en Guayaquil naar Peru. Een busreis die, als we geluk hebben, 30 uur duurt. We moeten maar eens gaan terugrekenen vanaf 23 juni , hoeveel tijd we nog hebben voor elk land en de verschillende plaatsen want op de 23ste hebben we een hostel besproken in Cuzco voor het Inti Rymi (festival del sol), een festival waar de Inca’s vieren dat de zon weer terugkomt na de winter.

We hebben 5 weken om Peru, Noord Chili en Bolivia rond te reizen dus we krijgen het nog druk. Afijn, morgen gaan we mountainbiken naar de Cascada´s, niet te geloven toch, fietsen in de Andes op bijna 3000 meter en de dag erna gaan we naar de vulkaan lopen. Stel je voor dat die uitbarst, dat zou wat wezen. We hebben in ieder geval het informatieboekje goed doorgelezen zodat we weten wat we in geval van uitbarsting moeten doen.

Oerwoud ervaringen

15 - 18 mei

Via Quito rijden we met de nachtbus naar Coca, een rit van 9 uur. Slapen lukt niet goed want de stoelen kunnen maar een klein beetje in de “hangstand”. Om 5.30 komen we aan. Het heeft gedurende de rit gestortregent met het gevolg dat onze rugzakken die onder in de bus liggen doorweekt zijn. Gelukkig hebben we de telefoon en e-reader in onze dagrugzak anders was het afgelopen geweest met lezen en whatsappen met het thuisfront. We ontbijten in het dorp met rijst en vlees. De rauwe groenten kan je niet eten want deze zijn niet zodanig gewassen dat ons spijsverteringsstelsel er tegen kan. De markt is al open. Er staan allemaal visverkopers en verderop wordt de vis of kip ingepakt in bladeren geroosterd. Een plaatselijke delicatesse is geroosterde wormen. Er worden er 3 aan een houtje geregen, net zoals wij de gamba´s roosteren en dan smullen maar. Degene die het geprobeerd hebben zeggen dat het naar kip smaakt, maar dat wordt gezegd van alle vreemde lekkernijen zoals cuy (cavia) en slang dus ik zal het toch echt een keer zelf moeten proeven.

Met een soort kanoboot gaan we de Rio Napo op, de grootste rivier van Ecuador. Vreemd is het om vanuit een hagelwit zonovergroten strand de volgende dag in een druipende modderpoel te belanden. De rivier stroomt hard en je ziet het oerwoud aan alle kanten. Ploteling gaan we een zijstroom in die mij helemaal niet was opgevallen. Er heerst een vreemd soort stilte met het constante geluid van insekten. ´s middags maken we met een Indiaanse gids (Jaime) een tocht door de jungle. Het is ongelofelijk hoeveel deze man weet. Aan de geluiden hoort hij welke aap, insekt of vogel het is. Hij vertelt over de vele medicinale sappen van bomen en planten en waar ze voor gebruikt worden. Hij krijgt je zover om je hand in een mierennest te steken en vervolgens met deze mieren je handen te wassen. Het ruikt lekker en het is desinfecterend. We steken onze handen in andere nesten en het lijkt of je vastgepakt wordt door een hele batterij “nietjesuithaalapparaten”. Ook sommige bloemen lijken te bijten als je ze op je hand houdt. Er zijn vreemdsoortige paddenstoelen en allerlei soorten bloemen terwijl we lopen dooreen bijna ondoordringbare muur van groen waarin Jaime met zijn machete de obstakels weghakt. We eten om 19.00 uur en een uur later liggen we uitgevloerd onder ons muskietennet na ruim 36 uurreizen.

Het ontbijt is elke dag om half zeven, een half uur na zonsopgang als de vogels en apen weer tot leven komen.Om 8 uur start onze les. Onze professora is met ons meegereist vanuit Quito en als zij in de buurt is wordt er natuurlijk alleen Spaans gesproken, of althans dat trachten we nog steeds te doen. De woorden blijven nog niet allemaal hangen maar als er niet te snel wordt gesproken verstaan we veel. We hebben met z´n drieeën een lodge en de juf kletst ons (als ze wakker is want zij slaapt de hele middag als wij op onderzoek uitgaan en dan ook nog de hele avond) de oren van ons hoofd over van alles en nog wat. Hoogst vermoeiend. Ze is reuze aardig maar lichtelijk hyper naar mijn smaak.

Na de les eten we om 12.00 uur warm en in de middag hebben we een activiteit. We zijn naar een Indiaans gezin geweest waar de moeder des huizes 12 kinderen heeft gekregen. Ze wonen in een soort schuur zonder muren met één verdieping. Het hele huis is open. Het is een erg westers huis gemaakt met geld van de lodge. Er zijn hier nog een aantal stammen, verderop het oerwoud in, die op de grond slapen met een soort rieten matten als beschutting tegen de regen. Deze stammen hebben helemaal geen contact met de rest van de wereld en worden beschermd door de overheid zodat zij in alle rust in hun eigen gemeenschap kunnen leven. De familie die wij bezoeken leeft van vruchten en de kippen die overal in en rond het huis scharrelen.We krijgen hun zelfgemaakte welkomsdrank van de wortels van de Yuca aangeboden, heerlijk.

Het voelt alsof ik in de tijd terugga,weer een jaar of 10 ben en op kamp de geheimen van het bos ontdek, alleen is dit veel spannender. We eten onze zelf gevangen pyranhas gefrituurd bij het avondeten. Onze gids kent de beste plekjes zodat we er 13 vangen in nog geen 1 ½ uur. Coosje is de eerste die beet heeft (beginnersgeluk want ze heeft nog nooit gevist) en schrikt daar zo van dat we bijna met kano en al omslaan. Maar daarna wordt het een wedstrijd wie er het meest vangt. Helaas verlies ik er een paar bij het ophalen van de hengel, bestaand uit een stok met een draad eraan. We eten mieren die naar limoen smaken, zien reuzeslakken en ontdekken het oerwoud met al zijn wonderen. Op het eerste gezicht lijkt alles groen maar er is een keur aan verschillende soorten fel gekleurde bloemen, paddenstoelen en vogels. We leren welke planten, slangen en mieren giftig zijn en welke bladeren, paddenstoelen en wortels als tegengif worden gebruikt. We zien wurglianen, wandelende bomen en palmen die zich met hun wortels verplaatsen. Er is ook een boom met stekels, daar werden in vroegere tijden criminelen aan vast gebonden zodat de stekels door hun lijf groeiden. Weglibberen verder tussen de enorme regenbuien het oerwoud door en blijven ons verbazen.

Het is hier een oase van rust, de insekten zingen je ´s avonds in slaap en de apen en papagaaien wekken je in de morgen. Bij het licht van de nieuwe maan gaan we ´s avonds op zoek naar kaaimannen. Sommigen zijn langer dan2 meter en je herkent ze in het donker aan hun rode ogen. Helaas schijnt de maan te fel dus ze laten zich niet zien maar we zijn verrast door de vuurvliegjes. De larven liggen als kerstverlichting te stralen in de laguna en de gids vaart ons in het pikkedonker terug naar de lodge, zonder één aarzeling.

Op de laatste nachtwandeling gluren we in het hol van een enorme tarantula die nog groter is dan een grote mannenhand, zien een boomboa die vogels eet (gelukkig was dit een jong dus niet zo groot), een enorme sprinkhaan nog groter dan mijn hand die eieren aan het leggen was en vreemd gekleurde kikkers. We leren snel en vinden niets meer eng met zo´n ervaren gids zolang we ons houden aan zijn wijze woorden “overal afblijven”. Dat zegt hij niet voor niets want hij heeft zelf 2 vrienden verloren aan de beet van een giftige slang. We schijnen er met onze zaklantaarns lustig op los en vinden nu ook zelf beestjes die we drie dagen geleden, ook na drie keer kijken, nog niet konden zien.

Jammer dat het weer voorbij is, ik vond deze ervaringen heel bijzonder en raad iedereen aan om in deze lodge te onthaasten én je komt van je eventuele spinnenfobie af.

San CristΓ³bal

San Cristóbal is het eerste eiland van de Galapagos waar Darwin voet aan wal zette. Zijn standbeeld kan je vanuit de zee boven de rotsen uit zien torenen. Vanaf het dakterras van ons hostel kijk je uit over zee. Het is een vreemd dorpje. De haven is prachtig bestraat en er is een fontein waarin ze alle eilanden hebben nagemaakt. Op allerlei plaatsen maken zij nu de straten mooi, maar de huizen zijn voor het grootste gedeelte maar half afgebouwd. Soms alleen de begane grond waarin een winkeltje is gemaakt en de rest bestaat alleen nog uit betonpalen.

De zeeleeuwen lijken inderdaad het dorpje in bezit te hebben genomen. Ze liggen werkelijk overal. Op de banken van de boulevard, op de trappen van de haven, op het strand in enorme getalen en zelfs in de glijbaan. Ze maken hele vreemde geluiden en stinken behoorlijk. En wee je gebeente als je ook op de bank wilt zitten (die liggen namelijk lekker in de schaduw) want dan kijken ze je erg arrogant aan met een blik van “Opzouten jij!” . Gelukkig waarschuwen ze wel met een soort geknor anders was ik vast een paar vingers kwijtgeraakt. Dit gedeelte van het eiland wordt daarom ook Isla Lobos genoemd, de afkorting van Lobos Marinos. Als we gaan snorkelen zwemmen ze in groepjes met je mee. Doe vooral je handen op je rug want je vingers zijnzeer gewild speelgoed. Moeders met jongen dartelen om je heen maar ik voel me niet echt op m´n gemak als ze met z´n vijfen op je af komen. Sommigen zijn enorm.

Vanuit het water moeten we in een rubberboot klimmen, een kunst op zich . Er is een dikke jongeman die door vier opvarenden naar binnen gehesen moet worden en vervolgens als een duikelaartje met een koprol de boot in rolt. Nou dan doen wij het toch een stuk eleganter ook al gaat het wat moeizamer dan bij de jonge vrouwen.

Afijn, we trekken verder met de boot naar Leon Dormido. Deze rotsformatie in de oceaan is het thuis van vele vogels zoals de Nasca boobie (gemaskerde JanvanGent). Na een rondje om de rotspartij gaan we snorkelen in het kanaaltje tussen de beide rotsen. In deze diepe wateren komen we 5 Galapagos haaien van zeker 2.50 meter tegen. Ik schrok me werkelijk te pletter. Verderop waren er nog meer haaien die een stuk dieper onder ons door zwommen dus hoe groot die waren was moeilijk in te schatten, misschien waren dat de hamerhaaien en witte haaien die hier volop schijnenvoor te komen. Ook hier zien we weer een zeeschildpad en een enorme rog. De rotsformatie ligt eigenlijk maar een heel klein stukje boven het water, het grootste gedeelte zit onder water en is begroeid met allerlei soorten plantjes en koraal in vele kleuren. De vissen eten ervan en het zit vol met zee-egels en andere bijzondere diertjes.

We lunchen op het strandje Mangecito waar ook flamingo´s zijn en waar op de rotsen hordes rode en zwarte krabben lopen. Het is een onbewoond eilandje met strand zo hel wit dat hetpijn aan je ogen doet en waar de zee knalblauw is. Als ik thuis ben en ik zie de bounty-reclame dan zal ik me vast weer op dit eilandje wanen.

We varen terug naar de haven van Puerto Baquerizo Morena en morgen trekken we weer verder. The wild life van de Galapagos is realy amazing!